
By Raymond Vanstraelen
Van garage naar glorie


1979.
In 1976 kwam er een einde aan de wielercarrière van Raymond Vanstraelen. Zijn leven in de wielersport was toen nog maar net begonnen.
De meeste renners nemen na hun laatste koers afstand van het peloton. Raymond deed precies het tegenovergestelde. Drie jaar lang verdiepte hij zich in het vak van wielertrainer en -manager. In 1979 opende hij vervolgens zijn eigen wielerschool: Suport.
Hij deed dat niet alleen. Aan zijn zijde stond Yvan Vanmol, de gerenommeerde wielerdokter. Vanaf de eerste dag was Suport anders dan alles wat er op dat moment bestond. Geen traditionele wielerclub die renners de weg op stuurde en enkel de stopwatch liet spreken. Alles draaide er rond één vraag. Een vraag die Raymonds verdere leven zou bepalen:
“Het idee waarmee ik begon, was holistisch: hoe maak ik de renner beter?”
- Raymond Vanstraelen, oprichter van Bioracer

1985.
Met die vraag bracht de wielerschool heel wat talent samen. De namen lezen vandaag als een hoofdstuk uit de gouden jaren van de Belgische wielersport: Eric Vanderaerden, René Martens, Herman Frison, Johan Capiot en Guy Nulens. Maar diezelfde vraag dreef Raymond ook steeds verder. Tot aan de grens van wat de wielersport op dat moment voor mogelijk hield.
Samen met Vanmol introduceerde hij Polar, de Finse pionier in hartslagmeting, als eerste in België en Luxemburg. Elke atleet van de academie trainde met een hartslagmeter om de pols. Niet alleen de wielrenners, maar zelfs een motorcrosser. Jaren voordat de rest van de sportwereld begreep welke waarde er achter die gegevens schuil ging.

1986.
Voor de wielerschool ontwikkelde Raymond iets wat bijna nergens anders ter wereld bestond: hij bracht de volledige atleet in kaart. Geen vluchtige blik. Geen inschatting op het gevoel. Elk detail dat ertoe deed, werd gemeten: de ledematen, de binnenbeenlengte, de romp, de armen en zelfs de knieoversteek. Een maat waar in die tijd nauwelijks iemand aandacht aan schonk.
Al die gegevens kwamen samen in een computermodel. Dat berekende niet zomaar een goede fietspositie, maar die ene positie waarvoor het lichaam van de renner werkelijk gebouwd was. In die tijd deed vrijwel niemand dat.

1986.
Aan de basis lag pure biomechanica. Met de crank horizontaal en het pedaal vlak, keek Raymond naar dat ene precieze ogenblik waarop de quadriceps loodrecht boven de pedaalas kwam. Dat moment vertelde hem bijna alles: hoe het been bewoog, of het zadel correct stond en of de renner iedere watt op exact het juiste moment kon overbrengen.
Ook symmetrie was cruciaal. Links en rechts moesten elkaar perfect weerspiegelen. Raymond las het af aan een knie. Hij zag het in de houding van een renner. Soms hoorde hij het zelfs in het ritme van de pedaalslag. Niets ontsnapte aan zijn aandacht.
“Als ik alle uren optel die ik aan die schoen heb gewerkt, kom ik aan maanden. Ik kan er nog altijd uren over vertellen. Er bestaat voor mij geen betere schoen.”
- Raymond Vanstraelen, oprichter van Bioracer.

1986.
Hij meent het. Zelfs veertig jaar later verschijnt er iets in Raymonds ogen zodra hij over die schoen begint. Dezelfde biomechanische denkwijze waarmee hij de positie van een renner had veranderd, bracht hem uiteindelijk naar de voet. Daar komt alle kracht van een renner uiteindelijk op de fiets terecht. Maar daar gaat ook een groot deel ervan verloren.
Een wielerschoen was in die tijd doorgaans eenvoudig: zwart leer op een zwarte leren zool. Raymond maakte zijn schoen blauw. Binnenin bouwde hij een ondersteuning voor de voetboog. In andere sporten was dat principe al langer bekend. In de wielersport nog niet. Meer dan tachtig procent van de renners proneert. Onder belasting kantelt de voet naar binnen en trekt hij de knie mee uit zijn ideale lijn. De ingebouwde voetboog ving die beweging op voordat ze in verloren vermogen kon veranderen. Raymond verhoogde de schoen bovendien licht, zodat de hiel steviger op zijn plaats bleef.
Daarna ging hij nog een stap verder. Hij maakte de schoen asymmetrisch. Tijdens het trappen kantelt de enkel naar binnen, waardoor achteraan de hiel vermogen verloren gaat. De asymmetrische constructie stuurde de hiel opnieuw naar buiten en zette dat verlies rechtstreeks om in aandrijving. Geen enkele schoen heeft dat ontwerp sindsdien volledig geëvenaard.

1986.
De schoen werkte. Achthonderd paar werden er vanuit de garage verkocht. Op het hoogtepunt reed ongeveer een derde van het profpeloton ermee: Planckaert, De Wolf, Nulens en Vanderaerden.
En toen verdween hij. De fabrikant ging failliet. Deels omdat hij Raymonds tempo niet langer kon volgen, geeft Raymond zelf toe. Hij wilde voortdurend verder. Altijd een nieuwe aanpassing, een volgend idee, een betere oplossing. En de fabrikant moest het telkens opnieuw zien te bouwen. Toen het bedrijf verdween, verdween ook de Bioracer-schoen.

1986.
Raymond bleef niet bij het verlies stilstaan. Hij richtte zijn aandacht op wat hij nog wel met zijn eigen handen kon vormgeven: de comfortzool. Een goed opgebouwde comfortzool kan een enorm verschil maken. De kunst bestaat erin de hoogste drukpunten weg te nemen.
Tijdens het fietsen rolt de voet niet af zoals bij wandelen of lopen. Daarom wordt hij in 3D gescand. Vervolgens wordt de inlegzool verwarmd en exact gevormd op de plaatsen waar de belasting zich opbouwt. Proprioceptie, het vermogen van het lichaam om zijn eigen houding en beweging aan te voelen, staat daarbij centraal. Het uiteindelijke doel is eenvoudig: twee knieën die perfect recht blijven bewegen.

1986.
Intussen had Raymond duizenden biomechanische metingen uitgevoerd. De cijfers bleven telkens naar dezelfde ongemakkelijke waarheid wijzen: renners en hun fietsen pasten niet bij elkaar. De hele industrie keek naar de Italiaanse framebouwers. Niet de fiets werd aan de renner aangepast, maar de renner aan de fiets. Zo konden een Italiaan van 1,65 meter en een Scandinaviër van 1,90 meter uiteindelijk op nagenoeg dezelfde machine terechtkomen. Voor Raymond was dat absurd. Maar het was ook een kans. En hij was niet de enige die dat inzag.
Op een vakbeurs in München ontmoette hij in 1986 Harrie en Sjefke Janssen. Twee broers die samen een van de bekendste fietsenwinkels van Nederland uitbaatten. Ze begrepen elkaar meteen. Raymond had de biomechanische kennis. De broers hadden het vakmanschap om die kennis in metaal om te zetten. Ze deelden dezelfde overtuiging: de maten van de renner moesten niet alleen de afstelling bepalen. Ze moesten in het frame zelf worden ingebouwd. Raymond hield de naam Bioracer in eigen handen. De broers bouwden de fietsen.

1986.
Uit die samenwerking ontstond iets wat de fietsindustrie eenvoudigweg onbekend was. Elk frame was persoonlijk. Geen standaardmodel. Geen maat uit een tabel. Eén frame, gebouwd voor één lichaam, volgens cijfers uniek voor elke renner. De kwaliteit ervan zat niet in iets wat je meteen met het blote oog kon zien. Het zat in de manier waarop de fiets volledig toebehoorde aan de persoon die erop reed. Dat was Raymonds gave. En bijna niemand anders beheerste ze.
Veel mensen konden een renner opmeten. Bijna niemand kon die maten omzetten in een perfect frame. Raymond zag afwijkingen van een centimeter waar anderen niets opmerkten. Hij corrigeerde tot op de millimeter in hoogte en lengte, en tot op een tiende van een graad in de hoeken van het frame.
Precies daarin lag ook de beperking. Wie een positie tot op een honderdste van een procent wil perfectioneren, bouwt een fiets die te duur wordt om op grote schaal te produceren. Slechts één persoon kon op dat niveau werken. Anderen opleiden zou jaren hebben geduurd, zonder garantie dat ze ooit dezelfde precisie zouden bereiken.

1987.
Raymond had intussen de positie van de renner, de schoen en het frame hertekend. Nu vond dezelfde vraag een nieuwe bestemming. In de jaren tachtig koerste het peloton nog in wol. Zodra het regende, zoog de stof zich vol als een spons. Op een grijze Belgische namiddag bleven renners achter met wielershirts die zwaar, koud en klam om hun lichaam hingen. Raymond ging daarom op zoek naar een wereld waar kleding wél vooruitliep. Het antwoord vond hij niet in de wielersport, maar op de skipistes.
Zijn zoektocht bracht hem naar Zwitserland. Daar ontmoette hij een producent van skikleding die begreep wat lichte, elastische en ademende stoffen konden betekenen. Het was Eschler, een toonaangevend textielhuis, dat hem het advies gaf dat alles zou veranderen: Stop met zoeken naar het kledingstuk dat je nodig hebt. Maak het zelf. En dus deed hij dat. Niet alleen. Raymond en zijn vrouw Annie legden hun loopbaan vijf jaar lang stil. In hun garage plaatsten ze twee kleine naaimachines. Daar begon het volgende hoofdstuk.

1989.
Ze zochten naar een wielerregenjas die alles tegelijk kon: waterdicht, ademend, licht en elastisch. Ze noemden het IsoFilm. De eerste exemplaren waren bestemd voor de renners van Raymonds eigen academie. Er bestond niets wat erop leek. En radio peloton deed zijn werk.
In 1989 bereikte de regenjas de absolute top van de sport. De renners van Panasonic, de succesvolle ploeg van Peter Post, verschenen op de grootste wielerpodia in de kleding van Raymond. Wat aan twee naaimachines in een garage was begonnen, reed plots vooraan in het profpeloton.

1993.
De IsoFilm-regenjas had bewezen wat één kledingstuk kon betekenen. Maar Raymond wilde niet gewoon losse producten maken. Hij wilde een volledig nieuwe manier ontwikkelen om een renner te kleden.
In 1991 vond die ambitie haar ploeg. Tonton Tapis-GB verscheen van wielerpet tot sokken in Bioracer aan de start. Het was de eerste ploeg ooit die volledig in zijn uitrusting koerste. Een grotere stap dan het wielervest ooit op zichzelf had kunnen zetten.
“De Belgische nationale ploeg was altijd een droom van mij. Ik heb zelf een paar keer in de nationale kleuren gekoerst, dus ik weet hoeveel trots dat kan geven. Het is een neutrale sponsoring en je werkt altijd met de allerbeste renners.”
- Raymond Vanstraelen, oprichter van Bioracer.

1994.
In 1993 bevond Raymond zich op de nieuwjaarsreceptie van de Belgische Wielrijdersbond. Hij wist het toen nog niet, maar hij stond aan het begin van een samenwerking die iconisch zou worden.
Bioracer en de federatie, vandaag Belgian Cycling, sloegen de handen in elkaar. De nieuwe samenwerking liet vrijwel meteen van zich horen. In 1994 reed Paul Herygers naar de wereldtitel in het veldrijden en werd zo de eerste wereldkampioen in Bioracer die de geschiedenisboeken haalde. Voor Raymond kwam een droom uit.

1995.
België was nog maar het begin. In 1995 volgde de Nederlandse KNWU. Vanaf dat moment was er geen houden meer aan. Een jaar later reed mountainbiker Bart Brentjens in Atlanta naar de hoogste trede van het olympische podium. Hij werd de eerste olympische kampioen die won in Bioracer.
In 2009 volgde Duitsland, met de BDR, vandaag German Cycling. Samen met tijdritspecialist Tony Martin en de ingenieurs van FES groeide Bioracer uit tot de maatstaf voor tijdritpakken. Meer dan drie decennia later zijn die samenwerkingen sterker dan ooit. De teller staat intussen op meer dan 1.500 medailles. En de voorbereiding op Los Angeles 2028 draait al op volle toeren.

2026.






